Afzuigslang aansluiten op wisselende machines: diameters en adapters

Je hebt één bouwstofzuiger en vier machines, en elke keer dat je wisselt sta je te wurmen. Op de schuurmachine schuift de slang er net niet op, op de invalzaag zit hij zo los dat hij er tijdens de snede afvalt, en bij de afkortzaag heb je het opgegeven en de slang met tape vastgeplakt. Er bestaat geen enkele maat die overal op past, en dat is geen slordigheid van de fabrikanten. De maat volgt uit wat er door de slang moet.
Eerst meten, en wel op twee plekken
Slangen worden aangeduid met een getal als 27, 32, 36 of 38. Dat getal slaat meestal op de binnendiameter, terwijl een machineaansluiting juist met de buitendiameter samenvalt. Bovendien zijn veel aansluitmonden licht conisch, zodat ze op meerdere maten klemmen. Pak daarom een schuifmaat en noteer per machine de buitendiameter van de aansluitstomp, plus de vraag of hij recht is of taps toeloopt. Vijf minuten meten scheelt drie verkeerde verloopstukken.
Let ook op het uiteinde van je slang zelf. Veel zuigers worden geleverd met een trapadapter die je bij een bepaalde ring afzaagt. Dat is prima, maar zaag hem pas af als je je lijstje met maten hebt. Eenmaal afgezaagd, altijd afgezaagd.
Waarom dun bij de zaag verstopt en bij de schuurmachine niet
Een zuiger levert een vaste hoeveelheid lucht. Duw je die door een dunne slang, dan gaat de lucht er snel doorheen. Duw je hem door een dikke slang, dan gaat er meer lucht doorheen maar langzamer. Bij een schuurmachine wil je precies dat eerste. Er komt weinig materiaal uit, alleen heel fijn poeder, en dat poeder blijft alleen in beweging als de lucht hard genoeg loopt. Een slang van 27 mm past daar goed bij, en hij is bovendien licht en soepel genoeg om je hand niet te sturen.
Bij een zaag of een frees komt er iets heel anders uit: krullen en snippers, in korte stoten en in flinke hoeveelheden. Die vragen ruimte. In een dunne slang klonteren ze bij de eerste bocht samen en dan bouwt het zich in seconden op tot een prop. Voor zagen, frezen en schaven kies je daarom 32 mm of dikker, bij voorkeur 36 mm.
Verloopstukken die blijven zitten
- Houd het smalste punt aan de machinekant. Een verloop dat halverwege de slang smaller wordt, is precies de plek waar het dichtloopt.
- Kies een verloop met een gladde binnenkant. Elke uitstekende rand vangt een krul en die krul vangt de volgende.
- Laat het verloopstuk op de machine zitten in plaats van op de slang. Dan koppel je in twee tellen en verlies je het stuk niet.
- Tape is een noodoplossing voor één klus. Hij scheurt bij de eerste keer draaien en laat een kleefrand achter waar stof aan blijft plakken.
Lengte, bochten en statische lading
Elke meter slang kost zuigkracht, en elke scherpe bocht kost meer dan een meter recht. Een slang van vijf meter die opgerold naast de zuiger ligt, werkt daarom slechter dan dezelfde slang uitgelegd. Werk je vast op één plek, houd de slang dan kort en verleng je stroomkabel in plaats van de afzuiging.
Droog schuren levert daarnaast statische lading op. In een gewone slang bouwt die lading zich op tot je een tik voelt, precies op het moment dat je nauwkeurig wilt sturen. Een antistatische slang, te herkennen aan een draad of een geleidende laag, voert dat af. Merk je tikken bij een bestaande slang, dan helpt een koperdraadje dat je door de slang legt en aan de zuiger aardt.
Maak tot slot één lijstje en plak het op de zuiger: per machine de gemeten maat en welk verloopstuk erbij hoort. Machines die aan de wand hangen in gereedschaphouders laten de vloer vrij voor de slang, zodat je alleen nog hoeft aan te koppelen in plaats van eerst een halve werkbank leeg te ruimen.