Boren in de buswand: waar zit bedrading en waar mag je schroeven

Een houder zit met twee schroeven vast en dat is in twee minuten gebeurd. Toch blijft de doos vaak een week in de bus liggen, want waar zet je die twee schroeven zonder een kabel te raken of aan de buitenkant een schroefpunt te zien verschijnen? Die aarzeling is terecht, en het antwoord begint bij de vraag waar je eigenlijk in schroeft.
Je schroeft in een drager, niet in de buitenhuid
De zijkant van een bestelbus is dun staal dat maar op een aantal plekken door profielen wordt gedragen. In dat dunne blik houdt een schroef geen kracht: hij trekt het gat ovaal, de houder gaat wiebelen en na een paar duizend kilometer heeft hij zichzelf losgewerkt. Er zijn twee plekken waar het wel goed gaat. In de verticale en horizontale profielen achter het plaatwerk, of in een plaat multiplex die jij zelf op die profielen hebt gezet. Die plaat is meteen de makkelijkste route, want dan bepaal jij waar iets komt te hangen in plaats van dat de bus dat voor je bepaalt. Voor wandwerk is 9 tot 12 millimeter gangbaar: dunner houdt een schroef te weinig hout vast, dikker voegt vooral gewicht toe.
Zo vind je de profielen terug
- Klop met je knokkel langs de wand. Een hol, blikkerig geluid betekent enkel buitenplaat, een dof en kort geluid betekent dat er iets achter zit.
- Zit er kunststof bekleding voor, gebruik dan een sterke magneet om te voelen waar het staal dichtbij zit.
- Gebruik wat er al is. In veel bussen zitten in de profielen fabrieksgaten of ingelaste moeren voor accessoires, soms achter een plastic dopje.
- Meet van buitenaf. De ribbels in de buitenplaat lopen meestal mee met de constructie erachter, en de afstand tot de deurstijl of de wielkast is binnen en buiten hetzelfde.
- Teken je vondsten in potlood af op de multiplexplaat voordat je hem monteert. Zodra de plaat hangt zie je niets meer, en die lijnen gebruik je nog jaren.
Wat er achter dat blik langsloopt
Precies op de hoogte waar je een houder wilt hangen, liggen in de meeste bussen kabelbomen in clips tegen het plaatwerk, op weg naar achterlichten, deurvergrendeling en sensoren. Een boor die er half doorheen gaat geeft niet meteen een storing, en dat is het vervelende: je zoekt weken later naar een fout die je zelf hebt gemaakt. In de stijlen en de dakrand kan een airbag zitten en onder de vloer liggen brandstof en remleidingen. Kun je er niet achter kijken, haal het paneel dan los in plaats van te gokken, of kies een andere plek. In een bus is er altijd een andere plek.
De schroeflengte is een rekensom, geen gevoel
Een schroef die aan de achterkant uitsteekt is in een bus precies wat je niet wil, en in dun staal levert extra lengte je ook geen extra houvast op. Reken het daarom voor je begint: meet de dikte van de voet van de houder, tel de dikte van de plaat erbij op en haal er twee tot drie millimeter af, zodat de punt in het hout blijft. Op een plaat van 12 millimeter kom je zo bij een korte schroef uit, en niet bij de 40 millimeter die toevallig in je doos ligt.
Schroef je rechtstreeks in een stalen profiel, dan werk je met een zelfborende schroef of met een blindklinkmoer en een bout. Boor het gat op maat, ontbraam het en zet er een roestwerend middel op voordat je vastzet, want een kaal boorgat in een bus is een roestplek in wording. Bouten met dopmoeren of verzonken koppen voorkomen dat je later ergens achter blijft haken.
Begin met één houder
Hang er eerst één op, op de plek die je het meest logisch lijkt, en gebruik de bus een week. Je merkt dan vanzelf of de hoogte klopt, of de machine bij het uitstappen niet tegen je knie hangt en of je er met handschoenen aan goed bij kunt. Pas daarna zet je de rest in dezelfde lijn, met dezelfde schroeflengte en dezelfde onderlinge afstand. Weet je nog niet welke houder bij welke machine hoort, dan kom je via de keuzehulp op merk uit, en met de samensteller stel je in één keer het aantal samen dat bij je wand past. Dat scheelt je een tweede montageronde met een half doosje schroeven van de verkeerde lengte.