Laadvermogen van je bus berekenen: hoeveel mag er echt in

De indeling is bedacht, het multiplex ligt klaar en je weet al waar de houders komen. De vraag die dan bijna nooit gesteld wordt: hoeveel kilo mag er eigenlijk in? Een overladen bus stuurt slechter, remt slechter en levert bij een controle een boete op, en het vervelende is dat je het aan de laadruimte niet ziet. Voor de meeste klussers raken de kubieke meters eerder op dan de kilo's, maar wie zand, tegels of leidingwerk vervoert loopt tegen het gewicht aan.
Twee getallen van het kentekenbewijs
Zoek twee velden op. Het eerste is de technisch toelaatbare maximum massa: het totale gewicht dat de bus geladen en wel mag hebben. Het tweede is de massa rijklaar: wat de bus weegt met vloeistoffen en een vast gerekend gewicht voor de bestuurder erbij. Trek de tweede van de eerste af en je hebt je laadvermogen. Sommige overzichten noemen dat getal direct, andere niet, en in dat geval reken je het dus zelf uit.
Kijk meteen ook naar de toegestane aslast per as. Die kun je overschrijden terwijl je totaalgewicht nog netjes binnen de grens valt, en dat gebeurt precies wanneer al het zware spul achterin ligt. En houd de grens van rijbewijs B in gedachten: 3500 kilo toegestane maximum massa. Zit je bus daarop, dan gaat elke kilo inrichting rechtstreeks van je laadvermogen af.
Wat je inrichting kost
De inrichting is de enige post die je één keer kiest en daarna elke dag meesleept, ook op dagen dat je er weinig aan hebt. Vloerplaat, wandbekleding, planken, schappen, een kist en al het bevestigingsmateriaal tellen op. Metalen stellingen en dichte kasten wegen fors meer dan een multiplex wand met houders erop. Kunststof gereedschaphouders die met twee schroeven vastzitten voegen per stuk nauwelijks iets toe, en over twintig plekken is dat een merkbaar verschil met een kast van dezelfde omvang.
Je hoeft dit niet te schatten. Ga met en zonder de plaat of de plank op een personenweegschaal staan en noteer het verschil. Tel dat op voordat je begint te schroeven, niet erna, want daarna wordt het een sloopklus in plaats van een keuze.
Wat er dagelijks bij komt
- Gereedschap, accu's en laders.
- Materiaal voor de klus, en dat is bijna altijd de grootste post.
- Water, zand, cement, tegels en gips, want alles wat nat of korrelig is weegt meer dan het lijkt.
- Een bijrijder, die niet in de massa rijklaar zit.
- Afval en retourlading die er al een week in liggen zonder dat je het merkt.
Reken die posten niet af op hun lichtste dag maar op een gemiddelde dinsdag. De meeste bussen zitten niet vol door één zware lading, maar door twintig kleine dingen die er nooit meer uit komen: een halve zak cement, restmateriaal van vorige week, een kist met spullen die je ooit één keer nodig had. Ruim dat eerst uit en meet daarna pas, anders reken je jezelf een probleem aan dat je met een kwartier uitladen oplost.
De weegbrug geeft het echte antwoord
Rekenen is schatten met betere cijfers, wegen is meten. Rijd één keer naar een weegbrug op een gewone werkdag, met jezelf erin, een normale tank en het materiaal dat je toch al meeneemt. Trek het gewogen gewicht af van de toelaatbare maximum massa en je weet precies hoeveel je nog vrij hebt. Doe het niet op de maandagochtend dat de bus net is leeggehaald, want dan meet je een situatie die zich nooit voordoet.
Schrijf daarna drie getallen op een sticker in het dashboardkastje: de toelaatbare maximum massa, het gewogen gewicht van je bus zoals je hem gebruikt, en wat er dus over is. De volgende keer dat iemand vraagt of die pallet er nog bij kan, hoef je niet te rekenen en niet te gokken.