Hoe lang moet je schroef zijn? Zo reken je het uit

In de la ligt een doos met schroeven in vier lengtes en je moet er nu een kiezen. Te kort en het ding hangt straks aan niets, te lang en je stoot ergens doorheen. De meeste mensen pakken dan maar het model dat er ongeveer goed uitziet en hopen dat het klopt. Toch is de juiste lengte een optelsom die je in tien seconden maakt, en die som is per ondergrond net iets anders.
De som bestaat uit drie delen
Neem eerst de dikte van wat je vastschroeft. Dat is de houder, de beugel of de lat die tegen de wand komt, plus eventueel een ring of een afstandhoudertje. Tel daar de verankeringsdiepte bij op, dus het stuk schroef dat echt in het dragende materiaal moet zitten. Tel er tenslotte een kleine marge bij op voor gruis dat achterblijft in het gat en voor het feit dat de punt van de schroef zelf nog geen draad heeft. Die drie samen zijn je minimale lengte, en van de lengtes die je in huis hebt neem je de eerstvolgende die daarboven zit.
Verankeringsdiepte per ondergrond
Alleen het middelste getal verandert echt. Zo ligt het per soort wand:
- Steen met een plug: de schroef moet de plug over zijn volle lengte doorlopen en er nog een paar millimeter voorbij komen, anders spreidt het achterste deel van de plug niet. De lengte van de plug is dus je verankeringsdiepte.
- Hout of een houten stijl: houd twee tot drie centimeter grip in het hout aan voor normale lasten. Bij zachte houtsoorten of bij trek naar buiten mag dat gerust meer zijn.
- Gipsplaat met een hollewandplug: hier bepaalt de plug alles. Het klembereik op de verpakking moet overeenkomen met je plaatdikte, en de schroef die erbij hoort is de schroef die je gebruikt.
- Multiplex of OSB als montageplaat: reken met de plaatdikte min een paar millimeter, zodat de punt er aan de achterkant net niet doorheen komt.
Twee fouten, aan allebei de kanten
Te kort is de fout die je later merkt. De schroef pakt wel iets, hij trekt zelfs netjes aan, maar de laatste centimeters draad die de belasting moeten opvangen zitten er niet in. Bij een last die schokt of trekt, komt zo'n bevestiging langzaam los. Te lang is de fout die je meteen merkt, of juist helemaal niet. Bij een spouwmuur of een voorzetwand schiet je door in de ruimte erachter en spreidt je plug half in het niets. Bij een plug in steen duw je de plug voor je uit dieper het gat in, waardoor hij zich niet meer kan zetten en de schroef alleen maar meedraait. En bij een dunne plaat komt de punt er aan de andere kant uit, precies op een plek waar iemand langs strijkt.
Meten in plaats van gokken
Twijfel je, dan is er een truc die altijd werkt. Houd de schroef naast je plug of naast een tweede exemplaar van wat je vastzet, en kijk waar de punt uitkomt. Voor het gat gebruik je hetzelfde principe: plak tape op de boor op de diepte die je nodig hebt, dus plug plus vijf millimeter, en stop zodra de tape de wand raakt. Bewaar de verpakking van je pluggen, want daar staat zowel de boormaat als de schroefmaat op die erbij hoort. En als je een schroef eruit haalt die er al zat, meet dan hoe lang hij is en waar het schone deel ophoudt. Dat verkleurde stuk laat zien hoe diep hij werkelijk in de wand zat.
Leg een klein voorraadje aan dat de som dekt
Je hoeft geen tien lengtes in huis te hebben. Met schroeven van 30, 40 en 60 mm in een dikte die bij je pluggen past, dek je vrijwel alle bevestigingen aan de wand. Zit je vaak in dezelfde ondergrond, schrijf dan een keer de combinatie op die daar werkt, inclusief boormaat en plug. Hang je een reeks accuhouders naast elkaar, dan is die ene combinatie meteen goed voor alle gaten. Dan is de som gemaakt en pak je de volgende keer gewoon het goede doosje.